Update procedure bekkenbodemmatjes

16 April 2020





Hier volgt een algemene update ter zake van de groepsclaim bekkenbodemmatjes die wij behandelen.

In de ‘voorhoedeprocedure’ bij de rechtbank tegen producent Johnson & Johnson is inmiddels vonnis gewezen. Het vonnis is het eerste (gedeeltelijke) succes in Nederland in de strijd om erkenning van het onrecht dat de slachtoffers van de bekkenbodemmatjes is aangedaan. Een aantal voor alle zaken belangrijke juridische knopen zijn doorgehakt.

– De rechtbank heeft onze argumentatie gevolgd ter zake van de door ons aangevoerde rechtsgrond van de onrechtmatige daad. Dit betekent dat de rechtbank heeft geaccepteerd dat de onrechtmatige daad – en niet uitsluitend die van de productaansprakelijkheid – op deze zaken van toepassing is, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat er gunstigere verjaringstermijnen gelden en helemaal geen vervaltermijn.

– De rechtbank stelt vast dat Johnson & Johnson (Ethicon) ten aanzien van het product ‘Prolift’ bewust heeft afgezien van het waarschuwen voor bepaalde – ernstige – complicaties. De rechtbank bepaalt ter zake:

10.13. De rechtbank concludeert uit de hierboven weergegeven verklaringen en omstandigheden dat bewust is afgezien van het waarschuwen voor bepaalde – ernstige – complicaties en dat daarmee de patiënt de kans is ontnomen om een geïnformeerde beslissing te nemen. Noch de patiënt, noch de behandelend arts kon daardoor voldoende op de hoogte zijn van de risico’s van mesh implantaten in het bekkenbodemgebied. Dat had ook gevolgen voor de ‘nabehandeling’, zoals uit het rapport van de inspectie blijkt (zie hiervoor onder 8). Aan patiënten werd onder andere verteld dat de pijn die zij hadden niet van het implantaat kon komen, dat zij het de tijd moesten geven of dat zij ermee moesten leren leven omdat de arts niets meer kon doen. Als zij na verloop van tijd nog eens met hun klachten terugkwamen, bleek de mesh vaak teveel vastgegroeid en niet meer te verwijderen.  

10.14. Door bewust relevante informatie achter te houden en niet te waarschuwen voor ernstige risico’s verbonden aan gebruik van Prolift is sprake van een gebrekkig product in de zin van artikel 6:186 BW maar is tegelijkertijd sprake van onrechtmatig handelen door de producent van Prolift. Beide grondslagen leiden tot een verplichting om de als gevolg daarvan geleden schade te vergoeden. Omdat bij vorderingen op grond van onrechtmatige daad geen vervaltermijn geldt en een langere verjaringstermijn, biedt die grondslag de benadeelden meer bescherming. Daarom zal de rechtbank bij de verdere beoordeling uitgaan van de onrechtmatige daad en in dat licht beoordelen of de vorderingen van individuele eiseressen zijn verjaard.  

Dit is nog niet eerder bepaald in de Nederlandse rechtspraak en zonder meer een doorbraak te noemen.

– Vooralsnog geldt de veroordeling uitsluitend voor cliënten waarbij alleen het product Prolift is geplaatst. De rechtbank is helaas niet ingegaan op ons argument dat een en ander voor alle matjes geldt, aangezien aangenomen mag worden dat ten aanzien van de overige producten de producent dezelfde kennis had en heeft verzuimd te delen met artsen en patiënten. Deze matjes zijn immers van nagenoeg hetzelfde materiaal gemaakt. Wij hebben nota bene aangevoerd dat de producent van dit materiaal zelf heeft gewaarschuwd dat dit materiaal niet in het menselijk lichaam geïmplanteerd mag worden. Een en ander heeft de rechtbank helaas onbesproken gelaten. In een eventueel hoger beroep zal dit aspect aan de orde kunnen komen.

– Helaas heeft de rechtbank voor een aantal eiseressen bepaald dat de vordering zou zijn verjaard, ook met een beroep op onrechtmatige daad. Hierbij geeft zij wel duidelijke handvatten hoe dit in een eventueel hoger beroep hersteld zou kunnen worden.

Read more about: ,