Zondag

4 February 2006

“Welke cliënt belt er nou op zondagochtend?” zei zijn vrouw, terwijl ze de hoorn aan mr. Just aanreikte. Een zekere Cornelius had haar bezworen dat het zeer, zeer dringend was. En nee, het kon niet wachten tot maandag. Mr. Just kende Cornelius wel. Hij behartigde al jaren zijn zaken. Maar wat hem nu overkomen was… Het was niet zijn gewoonte zijn advocaat op zondagochtend lastig te vallen, zei Cornelius maar deze zaak duldde geen uitstel. Wat was er gebeurd?

Cornelius bezit een keten van stoffenzaken. Elke zaterdag tegen sluitingstijd begeeft hij zich naar de winkel die de afgelopen week het best gepresteerd heeft om er met het personeel een borrel te drinken. Dat bevordert de saamhorigheid. Zo liep hij ook gisteravond tegen sluitingstijd door de winkelstraat naar het filiaal dat dit keer aan de beurt was.

Een vrouw met onverzorgd uiterlijk en tussen haar knieën een plastic zak met al haar bezittingen zat op de stoeprand. Toen hij passeerde begon ze te schelden. Cornelius droeg een nogal opzichtig dure jas, als je hem zag kon je zo zien dat hij in goede doen was en dat wekte haar agressie. Niet op letten, dacht Cornelius, al vond hij het vervelend dat ze hem al tierend en scheldend begon te volgen. Bij de winkel gekomen deed hij de deur maar achter zich op slot. Daarmee zou het afgelopen geweest zijn, als dat mens niet tegen de deur aan was gaan schoppen. Nu kon meneer Cornelius veel hebben, maar als ze zijn eigendommen gaan vernielen wordt hij razend. Hij opende de deur en verzocht de vrouw nog tamelijk beleefd maar toch vrij dringend onmiddellijk daarmee te stoppen of hij zou de politie…

Hierop gebeurde er iets onverwachts: ze hapte toe en zette haar tanden in de opgeheven wijsvinger van de heer Cornelius. Deze schreeuwde het uit van de pijn, maar ze hield vast als een terriër. Pas toen hij haar hoofd onzacht tegen de pui bonkte kon hij zich bevrijden. Maar de opgelopen verwonding was niet het ergste. Het ergste was wat ze hem toeriep: “Zo! nu heb jíj ook aids!”

Gelukkig kon de inmiddels gewaarschuwde politie haar inrekenen. Maar Cornelius was er niet gerust op. De politie legde hem uit dat ze de vrouw niet konden dwingen een bloedproef te ondergaan om zo na te gaan of ze werkelijk met het aidsvirus besmet was. En omdat ze als zwerfster geen vaste woonplaats had, zou ze kunnen verdwijnen en hij de komende tijd niet weten of hij de gevreesde hivbesmetting had opgelopen. De hele nacht had hij geen oog dichtgedaan en de volgende ochtend had hij besloten mr. Just te bellen. Kon deze hem helpen? Van de politie had hij begrepen dat ze haar niet lang meer konden vasthouden. Mr. Just zag als enige mogelijkheid een kort geding, waardoor je haar zou kunnen dwingen een bloedproef te ondergaan. Maar op zondag? Weliswaar staat in de wet dat het op elke dag en uur kan, maar in de wet staat zoveel. Hij zag het gezicht van de president al, als hij hem op zondagochtend verzocht even naar de rechtbank te komen. Toch zat er niets anders op. Mr. Just verzocht zijn vrouw voor deze keer voor secretaresse te spelen en begon te dicteren. Een nog slaperige medewerker die hij gelukkig thuis trof werd naar de president gestuurd. Gelukkig werkte deze mee. De eis werd toegewezen.

Korte tijd later kwam van het lab het verlossende telefoontje: de vrouw was geen draagster van het hivvirus, had alleen maar schrik willen aanjagen. Dat was dan goed gelukt, zei Cornelius, toen de advocaat hem het goede nieuws vertelde. Het was een hele opluchting. Maar in het vervolg keek hij op weg naar zijn winkel altijd uit zijn ooghoeken of hij niet gevolgd werd. En trok hij een andere jas aan.

Toch had hij er voor het eerst aan moeten denken hoeveel mensen in onze welvaartsstaat de straat op geschopt worden. Of nergens te handhaven zijn. In wat voor wereld leven wij? verzuchtte hij toen de advocaat hem uitliet.