De brief

21 mei 2004

In het voormalige vissersdorp was Koeleman een geziene figuur. Hij was voorzitter van de vereniging van visverwerkende bedrijven en lid van het kerkbestuur. Mr. Just kende hem sinds hij geadviseerd had bij de overdracht van Koeleman’s fileerbedrijf aan zoon Douwe. Het was een jaar geleden dat het contract op het advocatenkantoor getekend was. Hij had aangenomen dat de oude Koeleman, die in het dorp door iedereen ‘de ouwe Koel’ genoemd werd, nu genoot van een welverdiende rust.
Maar die ochtend werd mr. Just door zijn vroegere cliënt gebeld dat hij met een probleem zat. Al een half jaar was hij bezig een brief te schrijven en hij kreeg maar niet op papier wat hij zeggen wilde. Kon mr. Just hem daarbij helpen? Het was nogal een gevoelig onderwerp en hij wilde graag eens met de advocaat overleggen.
De volgende ochtend verscheen ouwe Koel op kantoor en mr. Just schrok hoe oud hij in korte tijd geworden was. Hij had diepe lijnen in zijn gezicht en de hand, waarmee hij de brief die hij beantwoorden moest openvouwde, trilde.
“Die is van mijn zoon Douwe,” lichtte hij toe. “Bijna elke dag ben ik bezig om hem te beantwoorden. Maar elke keer als ik overlees wat ik geschreven heb vind ik het niet goed.”

Mr. Just las: “Beste pa, sinds het overlijden van ma bewandel je niet meer de weg des Heeren en leef je in zonde. Zoals iedereen in het dorp weet ontvang je jongens die niet deugen. Laatst nog ben je gezien met de Kraai van wie iedereen weet wat zijn geaardheid is. Je handelt in strijd met Het Woord en daarvoor zal je eeuwig verdoemd zijn. Zoals je weet is Geertruide in verwachting. Maar je zult nooit je kleinkind mogen zien. Wij bannen je voorgoed uit ons leven. Voor ons besta je niet meer.”
“Ik weet niet goed wat ik moet antwoorden,” herhaalde ouwe Koel. “U schrijft zoveel brieven. Misschien kunt u mij helpen?”
Mr. Just dacht na en stopte toen de brief terug in de envelop die hij weer aan zijn cliënt overhandigde. “Ik weet niet of schrijven wel een oplossing is,” meende hij. “Is een gesprek niet beter?”
Ouwe Koel zuchtte diep. “Hij wil niet meer met me praten. Gisteren kwam ik hem tegen op straat. Hij liep zo langs mij heen. Dat doet pijn, begrijpt u.”
Mr. Just knikte. Het enige wat hij kon doen was Douwe uitnodigen voor een gesprek.
Het eerste wat Douwe vroeg toen hij gebeld werd, was of zijn vader erbij zou zijn. Want dan kwam hij niet. Mr. Just verzekerde hem dat dit niet het geval zou zijn.
“Van die brief neem ik geen woord terug,” begon Douwe, toen hij tegenover de advocaat zat. “Ik heb geen vader meer.”
Was dat nou niet een beetje rigoureus? probeerde de raadsman. Als vader nu eens niet opzichtig met zijn vriend over straat ging. En wat ze binnenskamers deden, dat moest iedereen zelf maar weten.
“Daar ben ik het niet mee eens,” protesteerde Douwe. “In de bijbel staat…” “Maar daarin staat toch ook: wie zonder zonden is werpe de eerste steen?”
Het maakte op Douwe weinig indruk. Hun kerkgenootschap was streng en zijn vader had hem daar zelf in opgevoed. En hij stond op het punt ouderling te worden, dus hij wist er veel van. Mr. Just vroeg nog of de kerk in hun conflict dan geen rol kon spelen. “Daar moest het juist geheim voor blijven,” reageerde Douwe geschrokken. Dat was ook de reden dat vader bij de advocaat gekomen was. Want zodra het kerkbestuur er lucht van kreeg zouden ze zich ten overstaan van de gemeenschap moeten verzoenen, anders werden ze allebei de kerk uitgezet.
Mr. Just kon verder weinig doen. Hierna ging het snel bergafwaarts met ouwe Koel. Hij kwam niet meer buiten en verzorgde zich slecht. De advocaat was dan ook niet al te verbaasd toen hij de rouwkaart ontving: Onze Heer heeft tot zich geroepen onze geliefde vader ….
In de rouwkamer van het kleine kerkgebouw lag de overledene opgebaard. Het halve dorp was gekomen om afscheid te nemen en stroomde aan de baar voorbij. In de kamer ernaast nam Douwe de condoléances in ontvangst. Hij was alleen omdat zijn vrouw op alledag liep. Er was koffie met cake. In de dienst was uitvoerig stilgestaan bij de verdiensten van de overledene voor de gemeenschap. De gelovigen prevelden gebeden. Alles precies zoals het hoorde. Douwe kon tevreden zijn.
Maar toen deze het huis aan de dijk leeghaalde trof hij kasten vol brieven aan. Hij schudde alle laden van het buro leeg en tot zijn ontzetting bevatten ook die alleen maar onafgemaakte brieven, allemaal aan hem gericht. Op tafel vond hij nog een ontwerp waaraan zijn vader tot het laatst toe gewerkt had.