Ramp

7 november 2005

In deze tijd, waarin de wereld geschokt reageert op de ramp in New York, moest mr. Just weer terugdenken aan de nasleep van de ramp waarbij hij beroepsmatig voor de slachtoffers zou optreden. In omvang niet vergelijkbaar, maar voor de mensen die er door getroffen werden natuurlijk even zwaar. Vaak zou hem gevraagd worden hoe hij hierbij betrokken raakte.

Het begon allemaal met een telefoontje op een maandagochtend, nu al weer vele jaren geleden. Een vrouw met naar hij dacht Surinaams accent belde hem. Ze had gehoord dat hij haar zou kunnen helpen. Maar ze was ziek en daarom vroeg ze of het mogelijk was dat mr. Just haar kwam opzoeken. Er lag iets in haar stem dat maakte dat deze een paar afspraken verschoof en even later was hij op weg. Nu behoort het vermogen om de weg te vinden niet tot de meest kenmerkende eigenschappen van mr. Just; zeker niet als het gaat om een labyrint als de Bijlmermeer want daar moest hij zijn waar een architect met een sadistische inslag alles in het werk gesteld heeft om mensen als hij te desoriënteren. Maar dank zij de autotelefoon wist zijn nieuwe cliënte hem na enige omzwervingen toch binnen te loodsen. Bij het opgegeven huisnummer van de flat zocht hij naar een bel die hij niet kon vinden, maar hij ontdekte dat de deur op een kier stond. Daar er op zijn kloppen niemand reageerde, duwde mr. Just de deur maar verder open. Tot zijn verbazing was het daarbinnen stokdonker. Toen hoorde hij een zwakke stem: “Meester Just? Komt u maar verder.”

Afgaand op het geluid kwam hij in de kamer waar de stem vandaankwam.

“Sinds die lichtflitsen bij de ramp kan ik geen licht meer verdragen,” verklaarde de stem, “maar u vindt daar een stoel.” Op de tast nam hij plaats. En zo begon voor mr. Just de behandeling van deze zaak in volstrekte duisternis. Zijn gedachte was eerst nog: hoe kom ik hier met goed fatsoen weer weg, maar toen zijn nieuwe cliënte begon te vertellen raakte hij geboeid. Omdat hij geen aantekeningen kon maken kon hij niets anders doen dan aandachtig luisteren. Ze was Arubaanse en vertelde haar verhaal heel anders dan de gemiddelde Hollander dit doet aan zijn raadsman. Ze begon met een tekst uit Jesaja en beschreef de ramp in bijbelse termen, met voortekenen en al. Zo vernam mr. Just op een heel andere manier dan uit de kranten over de tragische gebeurtenissen die zich hadden afgespeeld. En of hij wilde of niet, hij raakte diep onder de indruk van het oprechte geloof dat uit haar woorden sprak.”En als God het wil zal u ons bijstaan”, eindigde ze.

“Amen,” zei een stem achter hen. Er bleken zich namelijk nog meer personen in de kamer te bevinden die hij, mede vanwege hun donkere huidskleur, niet had opgemerkt.

“Maar ik weet nog helemaal niet of ik………” begon mr. Just.

Maar de familieleden begonnen hem de hand te schudden en op de schouder te kloppen, alsof hij hun zaak al gewonnen had. En achteraf, als hij hieraan terugdacht, leek het wel of de gehele nasleep van deze ramp, met alle procedures, enquêtes, kamervragen in Nederland en Israël en ingrijpen van ministers uiteindelijk was voortgekomen uit die donkere kamer waar die nieuwe cliënte, van wie hij het gezicht nog niet eens kon zien, op haar manier het verhaal verteld had.