Woekerpolissen

9 november 2006

Lijfrente-1

De Autoriteit Financiële Markten (AFM), minister Zalm van Financiën en het Verbond van Verzekeraars zijn het roerend met elkaar eens: beleggingsverzekeringen zijn ‘complex, ondoorzichtig en relatief duur’. Verbeteringen zijn al doorgevoerd en er zullen er nog meer volgen.

Hartverwarmend een dergelijke eensgezindheid eerder deze week, na de openbaarmaking van een AFM-onderzoek naar beleggingsverzekeringen bij vier grote verzekeraars. Toch blijven er wel een paar vragen over. Wat is ‘relatief duur’ en moeten kopers van beleggingsverzekeringen zich zomaar neerleggen bij de geconstateerde tekortkomingen? De antwoorden in het kort: soms betekent relatief duur gewoon schandalig duur en gedupeerden zouden best wat kunnen bereiken als zij erin zouden slagen één front te vormen.

Relatief is relatief
Hier voor me ligt een opgave van een Inveztor-lezer die er niet om liegt. Het gaat om een lijfrenteverzekering bij één van de grote verzekeraars van Nederland. In de periode mei 1996 tot en met mei 2005 is in totaal een spaarpremie betaald van € 6.429. Daarop is aan kosten € 3.729 ingehouden, zodat er € 2.700 is geïnvesteerd. In percentages van de inleg: 58% is opgegaan aan kosten, 42% is belegd. Voor alle duidelijkheid, deze kosten hebben niets te maken met aanvullende verzekeringen of iets dergelijks. Het zijn uitsluitend ‘eerste kosten’ en ‘doorlopende kosten’.

Dat is oneerlijk, zullen verzekeraars onmiddellijk roepen. De ‘eerste kosten’ (onder andere administratieve kosten, marketingkosten en de beloning voor de tussenpersoon) vallen nu eenmaal in de eerste tien jaar. Daarna wordt alles beter. Inderdaad: vanaf dit jaar betaalt de verzekeringsnemer uit het praktijkvoorbeeld nog ‘slechts’ 12% van zijn premie aan doorlopende kosten (onder andere administratiekosten en continuatie-provisie aan de tussenpersoon), zodat 88% belegd wordt. En als hij nog 30 jaar braaf blijft inleggen en een redelijk rendement weet te behalen, resteert toch nog een aardig bedrag.

Natuurlijk resteert er een relatief aardig bedrag Hoe aardig, hangt af van de veronderstellingen waarmee wordt gerekend. Maar hoe ik ook reken en welke rendementen en belastingtarieven ik ook invoer, de betrokken verzekeringsnemer is aan het eind van de rit in mijn spreadsheets altijd de verliezer. Had hij over zijn gemiddelde inleg van € 643 per jaar gewoon zijn inkomstenbelasting betaald en het restant belastingvrij (tot 2001: belastingvriendelijk) belegd, dan had hij aanmerkelijk beter gescoord dan het netto eindbedrag dat hij nu tegemoet kan zien. Dat wil zeggen, het bedrag dat hij ontvangt na de uitgestelde belasting die hij aan het eind van de rit nog verschuldigd is (óók als ik met een lager eindtarief reken).

Ik weet niet of het bovenstaande concrete voorbeeld, en dan met name de hoogte van de jaarlijkse premie, exemplarisch is. Ik ben onmiddellijk in mijn eigen administratie gedoken en voor mij ziet het koopsomplaatje er heel wat minder desastreus uit. Maar dat is het punt niet. Het gaat hier om een grote verzekeraar en om een verzekering via een tussenpersoon. Wat ik nu uitreken, had de verzekeraar of de tussenpersoon tien jaar geleden ook uit kunnen rekenen. Volgens mij bestond Excel toen ook al, anders in ieder geval ruitjespapier, een potlood en een telraam. Een belangrijk argument van verzekeraars voor die hoge ‘eerste kosten’ is nu juist het fiscale karakter van dit type verzekeringen. Het lijkt dan ook voor de hand te liggen dat allereerst wordt uitgerekend of – bij normale veronderstellingen – de aspirant-verzekeringsnemer er per saldo wel op vooruit gaat. Is dat niet het geval, dan ligt het advies nogal voor de hand.

Eigen schuld, dikke bult?
Laten we er – in tegenstelling tot de groeiende consensus – vanuit gaan dat de financiële consument een eigen verantwoordelijkheid draagt. Als hij zonder nadenken in een fiscaal worstje bijt (‘de fiscus betaalt mee’), moet hij niet klagen als het anders uitpakt dan gedacht. Maar kón de verzekeringsnemer wel zelf zijn sommetjes maken?
Informatie werd, en wordt nog steeds, slechts mondjesmaat verstrekt. De verzekerde uit het voorbeeld heeft lang en hard moeten trekken voordat hem volledig inzicht werd verschaft in de kosten. Uit een brief van de verzekeraar: “De kostenstructuur van een verzekering zit ingewikkeld in elkaar. Een goede kostenexplicatie is een zaak die handmatig uitgezocht dient te worden. Om deze reden is het antwoord geven op uw vragen een nauwkeurige en tijdrovende zaak”. Als dat voor de verzekeraar al zo moeilijk is, hoe kan een verzekeringsnemer dan inzicht krijgen? Zeker een verzekeringsnemer die slechts een vaag idee kán hebben van de aan de verzekering verbonden kosten?

Kruiwagen vol kikkers
De totale markt voor beleggingsverzekeringen wordt door de AFM geschat op € 16 miljard. Zoals al eerder gesteld, het is de vraag of voorliggende voorbeeld niet uitzonderlijk is. Maar ongetwijfeld lopen er heel wat beleggers rond die in een vergelijkbare positie verkeren. Met de Legiolease-affaire nog vers in het geheugen, dringt de vraag zich op of hier geen zaak van is te maken.
Advocaat Bob van der Goen, die ik het concrete voorbeeld heb voorgelegd, ziet onmiddellijk mogelijkheden. Als rechtgeaard jurist houdt hij tal van slagen om de arm, maar de termen zorg- en informatieplicht gaan al snel over tafel en gaande het gesprek werd hij steeds enthousiaster over de juridische kant van de zaak.
Dat Van der Goen, een bekende pleitbezorger voor gedupeerde beleggers, uiteindelijk toch enigszins terughoudend reageert heeft dan ook niet te maken met juridische bedenkingen. Hij ziet het probleem vooral aan de kant van de gedupeerden. Zie die maar eens op één lijn te krijgen. “Ze willen van alles, totdat er betaald moet worden”. Een goede dagvaarding kan wonderen doen, maar daar gaan een paar stappen aan vooraf. En die stappen kosten geld. En dat geld is alleen op te hoesten door een groep beleggers gezamenlijk. Elders op het web zijn al verschillende pogingen ondernomen om gedupeerden bij elkaar te brengen. Tot op heden zonder succes. Er zijn investeringen met een slechtere risico/rendementsverhouding.

Vincent Strik


Vincent Strik is hoofdredacteur van Inveztor.
Dit artikel is afkomstig van www.inveztor.nl