Verslag van strafzitting voor rechtbank te Groningen op 19 september 2006 van mr. B. van der Goen.

Deze behandeling werd door mij als advocaat van de benadeelden bijgewoond en tevens heb ik gesprekken gevoerd met de officier van justitie en advocaat van Leroi.

Het voornaamste inhoudelijke verweer van Leroi was dat hij het geld aan iemand anders zou hebben afgegeven in wiens opdracht hij gehandeld zou hebben. Dit zou zijn een zekere M., in het Noorden zeer bekend in het strafrechtelijke circuit. Ook zou er sprake zijn van een zekere Cohen, die ook onder de naam Van Gelder bekend zou zijn.

De officier van justitie acht een en ander zeer onwaarschijnlijk. De verklaringen zijn tegenstrijdig en van Cohen ontbreekt elk spoor.

De advocaat stelde hier tegenover dat de namen Cohen en Van Gelder ook in een eerdere strafzaak tegen M. aan de orde geweest zouden zijn.

Er moeten nog getuigen gehoord worden, onder meer met betrekking tot verklaringen die zouden zijn afgelegd in het huis van bewaring.

De advocaat beriep zich nog op het feit dat er volgens hem van een dubbel strafonderzoek (in België en Nederland) sprake was hetgeen bij verdrag verboden is als het om dezelfde feiten gaat hetgeen door de officier werd weersproken.

De rechtbank wees het verzoek van de officier om de behandeling te schorsen in afwachting van nader onderzoek toe, maar maande de officier aan om wel meer spoed te betrachten met betrekking tot het horen van de getuigen.

Overigens verwacht de officier van justitie dat de zaak inhoudelijk in december a.s. behandeld zal kunnen worden.

Ik wijs er nogmaals op dat het hier een strafrechtelijke behandeling betreft die op zichzelf niets uitstaande heeft met de civiele vordering, maar wel kunnen wij het bewijsmateriaal hieruit voor deze gebruiken. Ook heb ik met de officier besproken dat wat door deze wordt aangetroffen ten goede kan komen aan de gedupeerden.

Overigens zal de dagvaarding tegen één van de tussenpersonen een dezer dagen de deur uit gaan. U verneemt hierover binnenkort nader.